In het kort - Halt: het alternatief?
In Nederland kennen we sinds vijfentwintig jaar een alternatieve straf voor jongeren tussen de twaalf en achttien jaar die een licht strafbaar feit plegen: de Halt-afdoening. Een jongere die door de politie is opgepakt voor een strafbaar feit wordt met een doorverwijzing naar bureau Halt in de gelegenheid gesteld een strafblad te ontlopen door de jongere bewust te maken van zijn gedrag en eventuele schade te herstellen. Dit wordt bereikt door gesprekken, werk- of leerelementen uitvoeren, en indien relevant excuses aan het slachtoffer aanbieden en schadeherstel. De achterliggende gedachte daarbij is dat door de jongere te confronteren met de gevolgen van zijn of haar gedrag en door de jongere gedragsalternatieven aan te bieden, voorkomen wordt dat de jongere zich opnieuw schuldig zal maken aan crimineel gedrag.
Vijfentwintig jaar na de oprichting van Halt is een landelijk onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van Halt. In het onderzoek is een groep van bijna duizend jongeren gedurende een jaar op verschillende momenten gevolgd. Het betreft jongeren die zijn opgepakt nadat ze een strafbaar feit hebben gepleegd en door de politie naar Halt zijn doorverwezen. Terwijl de helft van deze jongeren als reactie op het strafbare feit een Halt-afdoening krijgt, wordt de andere helft van de jongeren hiervan in het kader van het onderzoek vrijgesteld. Op deze wijze is in het onderzoek gebruik gemaakt van een experimentele groep (de jongeren die de Halt-afdoening krijgen) en een controlegroep (de jongeren die geen Halt-afdoening krijgen).
In het onderzoek is nagegaan wat de invloed van de Halt-afdoening is op recidive en op ander gedrag van de jongeren. Hiertoe zijn de jongeren uit de experimentele groep vergeleken met de jongeren uit de controlegroep.
De uitkomsten van het onderzoek laten op hoofdlijnen zien dat jongeren die een Halt-afdoening hebben gehad na een half jaar geen ander recidivepatroon hebben dan jongeren die zijn vrijgesteld van de Halt-afdoening; de ernst en frequentie van strafbare feiten die jongeren plegen, is gelijk in de twee onderzoeksgroepen. Wel blijkt dat de jongeren uit beide onderzoeksgroepen na een half jaar minder problemen hebben. Het gaat daarbij om moeilijkheden met betrekking tot emoties, gedrag, relaties en aandacht. Het doorlopen van een Halt-afdoening blijkt - gezien deze bevindingen - geen aanvullende invloed te hebben op het terugdringen van crimineel gedrag en moeilijkheden bij jongeren. Daarmee lijkt de reactie van de politie op het strafbare gedrag de pakkans - en de daaropvolgende dreiging van een straf doorverwijzing naar Halt - belangrijker te zijn dan het daadwerkelijk krijgen van straf.
Nader inzoomen op de groep jongeren die de Halt-afdoening heeft gekregen, leert dat er wel factoren zijn aan te wijzen die samenhangen met recidive. Een belangrijke bevinding is dat de Halt-medewerkers goed in staat blijken om in te schatten of een jongere opnieuw in de fout zal gaan of niet. Jongeren waarvan de Halt-medewerker op voorhand denkt dat deze na de Halt-afdoening weer vervalt in crimineel gedrag, blijken sterker te recidiveren en bovendien meer moeilijkheden te hebben. Daarnaast blijkt dat de Halt-afdoening met het oog op het terugdringen van crimineel gedrag met name geschikt is voor echte first offenders. Jongeren die voor de tweede maal bij Halt komen, blijken namelijk sterker te recidiveren dan jongeren die voor het eerst een Halt-afdoening doorlopen.
Het onderzoek geeft naast inzicht in de effecten ook inzicht in de succes- en faalfactoren van de Halt-afdoening. Gekeken naar de verschillende elementen van de Halt-afdoening blijkt dat spijtbetuiging door de jongere van positieve invloed is op het crimineel gedrag van de jongere in de toekomst. Jongeren die hun excuses aan het slachtoffer aanbieden, plegen na de Halt-afdoening minder en/of minder ernstige strafbare feiten. Overige elementen van de Halt-afdoening zoals het type en aantal uren straf, het aantal gesprekken, de aanwezigheid van een relatie tussen straf en gepleegde feit en een schaderegeling zijn niet van invloed op recidive.
Het onderzoek levert een profiel op van jongeren die het meest gebaat zijn bij een Halt-afdoening in de zin dat een interventie door Halt samenhangt met een positieve (criminele en niet-criminele) gedragsverandering. Op hoofdlijnen gaat het om first offenders die zich bewust zijn van de gevolgen van hun strafbare gedrag, geen of lichte problematiek hebben, sociaal gedrag vertonen en een positieve vrijetijdsbesteding hebben. Een laatste profielkenmerk betreft het gegeven dat jongeren die buiten de Randstad wonen meer gebaat zijn bij een Halt-afdoening.
De onderzoeksbevindingen leren dat de Halt-afdoening niet in dezelfde vorm voor elke jongere even effectief is wanneer het gaat om positieve gedragsbeïnvloeding. Screening van de jongeren door professionals en maatwerk lijken van essentieel belang om met Halt te bereiken wat ermee beoogd wordt. Jongeren die negatief gedrag vertonen, waarbij sprake is van bredere problematiek of waarvan de recidivekans hoger wordt ingeschat, zouden met andere woorden intensiever begeleid dienen te worden. Bij jongeren waar dit niet het geval is, zou bijvoorbeeld kunnen worden volstaan met een gesprek met het gezinssysteem en een professional én met het aanbieden van de excuses aan het slachtoffer.
